Zakelijk

Wachtwoord vergeten

U krijgt een mail met instructies voor wijzigen van het wachtwoord.
Winkelwagen

Verdwenen kunst

Door docent en kunsthistoricus Max Put

Na de verhalenserie Thuiskunst  waarin hij een bijzonder object uit zijn eigen kunstverzameling voor het voetlicht bracht, is Max Put terug met een nieuwe serie: Verdwenen kunst. Hierin komen kunstwerken voorbij die om wat voor reden dan ook verdwenen zijn. Nieuwsgierig? Lees hieronder alle verhalen.

Verdwenen kunst 2 - Meijer Isaac de Haan: zelfportret tegen Japanse achtergrond (1889-1891)

In de nacht van 15 op 16 oktober 2012 werden bij een inbraak in de Kunsthal in Rotterdam 7 schilderijen gestolen uit de Triton collectie, waarvan een selectie tentoongesteld was. Hieronder waren werken van Monet, Picasso, Matisse en Gauguin, met een marktwaarde van miljoenen euro’s. In de maanden die volgden voerde het spoor naar Roemenië, waar op 19 januari 2013 de dieven gearresteerd werden. De schilderijen bleken ze echter niet meer te hebben. Kort hierna doorzocht de politie het huis van Olga, de moeder van een van de dieven, die in een afgelegen dorp woonde. Ook hier werden de schilderijen niet aangetroffen. Ze waren op dat moment verborgen in het huis van Olga’s zuster Natasha, in hetzelfde dorp. Omdat Olga vreesde dat ze toch ontdekt zouden worden, begroef ze samen met haar zus de doeken in de tuin van een leegstaand huis aan de overkant. Maar de zussen waren er niet gerust op en een paar dagen later werden ze opnieuw begraven, nu op een kerkhof. In de dagen hierna keerde de politie álle huizen van het dorp ondersteboven, maar de schilderijen bleven spoorloos. Toch maakte Olga zich steeds meer zorgen. Hoe kon ze haar zoon redden? Er zat maar één ding op: het bewijsmateriaal vernietigen. In de nacht van 17 februari groef ze de doeken weer op en verbrandde ze in de kachel van haar badkamer. Toen ze haar zoon de volgende dag in de gevangenis bezocht vertelde die dat hij strafvermindering zou krijgen als hij de schilderijen terug zou geven. Ze besefte dat ze een kapitale fout had gemaakt, maar het was te laat. Olga gaf zichzelf aan en bekende haar daad. Tijdens de rechtszaak trok ze haar verklaring echter weer in, maar bij onderzoek van de kachel in haar badkamer trof men de asresten van verschillende doeken aan, waarmee het zo goed als zeker was dat de gestolen schilderijen voorgoed verloren zijn gegaan.

Tussen de klinkende namen van de kunstenaars van de verdwenen werken zit er één die veel minder bekend is: Meijer de Haan. Dat uitgerekend een schilderij van hem verloren ging is des te tragischer omdat hij zo’n klein oeuvre heeft nagelaten. Bovendien was het een prachtig, kleurrijk zelfportret, met interessant genoeg op de achtergrond een Japanse prent. Maar wie was hij?

Meijer Isaac De Haan werd in 1852 geboren in Amsterdam als zoon van een vermogende fabrikant van matses voor de Joodse gemeenschap waar de familie deel van uitmaakte. Aanvankelijk zou Meijer het bedrijf overnemen, maar de kunst trok sterker en in ruil voor een toelage deed hij het over aan zijn broers. In 1874 werd hij toegelaten op de Rijkacademie, die hij wegens zijn zwakke gezondheid na een jaar moest verlaten. Hij had op dat moment redelijk succes met door Rembrandt geïnspireerde schilderijen van Joodse taferelen. Een hiervan was ‘De beschuldiging van Uriël da Costa’, waar hij 10 jaar aan werkte. Toen het in 1888 werd getoond, sabelde de pers het echter neer en ook het Amsterdamse rabbinaat was kritisch. Gefrustreerd vertrok De Haan naar Parijs, waar hij in contact kwam met Theo en Vincent van Gogh. Via hen ontmoette hij Gauguin, in wiens kielzog hij ging werken in Pont Aven in Bretagne. De twee schilders raakten bevriend, wat vooral Gauguin goed uitkwam omdat De Haan alles voor hem betaalde. De invloed die hij op hem uitoefende komt naar voren in het zelfportret. Gauguin maakte ook een aantal portretten van De Haan waarop hij is afgebeeld als een mysterieuze, bijna sinistere figuur. De vriendschap hield dan ook geen stand: ze kregen in 1890 ruzie om een model met wie De Haan tot jaloezie van Gauguin een verhouding was begonnen. Niet lang hierna keerde De Haan terug naar Amsterdam, op verzoek van zijn broers die vonden dat hij de Joodse cultuur en zijn familie de rug toe had gekeerd. In 1891 was hij weer terug in Parijs, waar het contact met Gauguin weer hersteld werd. Onderhouden kon De Haan hem niet meer omdat zijn broers zijn toelage hadden stopgezet. Gauguin vertrok naar Tahiti en De Haan keerde, via een verblijf in Duitsland, uiteindelijk terug naar Nederland, waar hij zich vestigde in Hattem en bevriend raakte met de schilder Jan Voerman. Zelf schilderde hij nauwelijks nog, verzwakt als hij was door de nierziekte waaraan hij leed. In 1895 overleed hij op 43-jarige leeftijd in Amsterdam. Meijer de Haan ligt begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg onder een grafsteen van Joseph Mendes da Costa.

Verdwenen kunst 1 - Rafaël: portret van een jongeman (ca. 1513-14)

Rond 1800 kochten de Poolse vorsten Adam Jerzy en Konstanty Czartoryski in Venetië een schilderij dat bekend stond als een zelfportret van Rafaël. Het bevond zich in de collectie van de Giustiniani familie, al generaties grote kunstverzamelaars. Hoe het hier terechtkwam is onbekend; eerder zat het schilderij in de hertogelijke collectie in Mantua, waar het in 1622 werd nagetekend door Antony van Dyck. Waarschijnlijk was het na Rafaëls voortijdige dood in 1520 in handen gekomen van zijn leerling Giulio Romano, die in 1524 ging werken voor de Gonzaga, de heersers van Mantua. Na diens dood in 1546 bleef het doek hier, maar rond 1630 verhuisde het naar Modena en wellicht vandaar naar Venetië. Na de aankoop reisde het portret naar Polen, waar de vorsten het aanboden aan hun moeder, prinses Izabella. Die had op haar landgoed in Pulawy het eerste museum van Polen geopend. De prinses hing het doek in het ‘gotische huis’, een paviljoen gebouwd in 1807. Hier vormde het met de Dame met de hermelijn van Leonardo da Vinci en Rembrandts Landschap met de verloren zoon een adembenemend trio van topstukken. Ze bleven er tot 1830, toen er in Polen een opstand uitbrak tegen het tsaristische bewind. Omdat het landgoed in de gevarenzone lag, verhuisde de collectie naar het Sieniawa paleis in Sieniawa, een ander landgoed van de familie. Van hieruit werd Rafaëls portret in 1832 naar Parijs gesmokkeld door vorst Adam Jerzy, die wegens zijn aandeel in de opstand uit Polen was verbannen. In 1848 trachtte hij het doek te verkopen in Londen, maar toen dit na drie jaar niet gelukt was, keerde het terug naar Parijs waar het kwam te hangen in het 17de-eeuwse Hȏtel Lambert, dat door de vorst gekocht was. Tot de vaste gasten van dit fraaie stadspaleis behoorde Chopin, die zijn ‘Polonaise’ componeerde voor een van de bals die er werden gehouden.

In 1871, na de Franse nederlaag in de Frans-Pruisische oorlog, verliet Adam Jerzy’s zoon Wladyslaw Parijs, met medeneming van de familiale kunstcollectie, die hij zelf enorm had uitgebreid. De stad Krakau bood het voormalige arsenaal als onderkomen aan en in 1878 opende hier het Czartoryski Museum. Tijdens de eerste wereldoorlog verhuisden de topstukken, waaronder het portret van Rafaël, naar de Gemäldegalerie in Dresden. Na de oorlog wilde de directeur van dit museum, Hans Posse, er geen afstand van doen, maar in 1920 kwamen ze toch terug naar Krakau. In 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werd Rafaëls doek, samen met de Da Vinci en de Rembrandt, in een krat met het opschrift ‘VRR’ in het geheim naar het Sieniawa paleis gebracht en verborgen achter een muur. Hier werden ze ontdekt door de Duitse bezetters en op last van Göring naar Berlijn getransporteerd. Posse, de directeur van de Dresdener Gemäldegalerie, stelde voor om de schilderijen te tonen in het nog te bouwen ‘Adolf Hitler Museum’ in Linz, maar hierna wordt het spoor troebel. Rafaëls portret kwam in handen van Hans Frank, de leider van het door de Nazi’s bezette Polen, die het samen met andere kunstschatten ophing in zijn residentie, het Wawel kasteel in Krakau. In 1945 ontvluchtte Frank Polen, met een groot deel van de kunst, echter zonder het schilderij van Rafaël. Sindsdien is het spoorloos verdwenen.

De toeschrijving aan Rafaël is omstreden: begin 20ste eeuw meenden veel deskundigen dat het geschilderd was door een leerling, zoals Giulio Romano, of door een Venetiaanse schilder beïnvloed door Rafaël, zoals Sebastiano del Piombo. Interessant genoeg neigden de meeste experts ná de verdwijning van het doek toch naar een toeschrijving aan Rafaël zelf. Ook over de identiteit van de jongeman met de lange lokken is discussie. De eerste die hem identificeerde als Rafaël was de graficus Paulus Pontius, die in ca. 1630 een prent maakte naar het schilderij. Sindsdien staat het bekend als ‘zelfportret’, maar recent rees hier twijfel over. De jongeman lijkt wel wat op de bekende zelfportretten van Rafaël, maar dan sterk geïdealiseerd. Sommige kunsthistorici opperden zelfs dat het een vrouw zou zijn. Dit wordt tegenwoordig van de hand gewezen, maar, zoals de kunsthistoricus Józef Grabski in een artikel uit 2004 verzuchtte: "Alleen het zien van het echte schilderij zou duidelijkheid kunnen verschaffen". Misschien duikt het ooit nog op.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

David Michelangelo

Blijf benieuwd!

Op de hoogte blijven van ons steeds vernieuwende aanbod?

Meld u aan voor onze nieuwsbrief!